Naamloos

Ik sta op de zandweg van middernacht
in het groen van een slapend gehucht,
ik heb hier mijn kindertijd doorgebracht
en sluit nu met vingers van vroeger zacht
de kamer af zonder gerucht.

Wie is men nog als het dunne kleed
van het dagwerk is afgelegd
en alles voorbij wat men droomde of deed?
De donkere wind staat klapwiekend gereed
en blaast ook mijn naam van mij weg.

Uit: "En het dorp zal duren "