Poëziebord 10

De Moervaart, een zuidelijke aftakking van de Durme, werd in 1531 rechtgetrokken en van verschillende bruggen voorzien. Moervaart, Zuidlede (reeds in 1379 rechtgetrokken) en andere waterlopen in de Moervaartdepressie waren van belang o.m. voor het vervoer van turf en brandhout naar Gent.
Caudenbormbrug (één van de drie beschermde brugjes in Moerbeke: ook Terwestbrug en Dambrug) dateert uit het interbellum, is hersteld en gedeeltelijk vernieuwd na oorlogsschade (ca 1945).

baggaart

brug

De brug

Oevers liggen als lichamen moe
en vol grasbuilen langs de rivier.
De brug haalt hen naar elkander toe
met een sterke deinende spier.

Gespannen staat zij van boord tot boord
door haar eigen sprong overmand
en de siddering zet zich stapvoets voort
naar de horende overkant.

Haar wortels van ijzer boren diep
in de berm als een diepe boom
en soms wordt een zenuw wakker die sliep
in het drijvend bed van de stroom.

Het water bouwt op de bodem staag
zijn waterkastelen van zand
en blindelings dansen de wieren traag
hun reidansen hand in hand.

De dingen, vergeten of waardeloos,
betrekken hun tweede bestaan:
de watermoor in een kelk van kroos
een schoen die te ver is gegaan.

De glanzende vissen rijzen teer
als luchtbellen naar omhoog
en liggen doodstil tussen bladmoes gemeerd
met een roerloos geopend oog.

Een zachte regen van roest ruist neer
uit de davering van de brug
wanneer een boerenkar wederkeert
naar de avond in het gehucht.

En soms vaart een boot overmoedig voorbij
in een plots tumult van geluid;
daarvan staan de lissen groen overeind
en rekt zich het oevergras uit.

De canada breekt in handgeklap,
de boomgaard is vol gebruis
en de weilanden zetten een stoute stap
tot de stoep van het eerste huis.

Uit "Onverwachts onderweg"

Terug